Heeft u wel eens op straat aan een willekeurige voorbijganger gevraagd of die weet wat de diakonie doet? Meestal is het antwoord een wedervraag: Wat is de diakonie? (of parochiële caritas voor katholieken)

Stel je deze vraag aan kerkgangers dan weten ze meestal wel dat het om armoede hulp gaat en het collecteren voor goede doelen. Maar wat er precies gedaan wordt is vaak niet bekend, oh ja iets met de voedselbank?!

Vraag je dit aan jongeren… dan is het een heel vaag woord. Zelfs kerkelijke jeugd heeft meestal geen idee wat de diakonie, buiten de collectes in de kerk, nog meer doet. Onbekend maakt onbemind?

De diakonie van Monnickendam liep hier tegenaan. Ze voelde aan dat een avondje spreken over diakonie in het jeugdhonk niet zoveel zou veranderen. Misschien was het een idee om de jeugd te laten meedoen aan een project om wat meer betrokkenheid te creëren? Maar hoe kreeg je ze daar weer enthousiast voor? Misschien wist JOP (Jong Protestant) raad en zo is het gekomen dat de diakonie van Monnickendam met mij, zelfstandig jeugdwerkadviseur, in contact kwam.

Er werden twee doelen vastgesteld: Ten eerst meer bekendheid voor wat de diakonie is en doet, zowel binnen als buiten de kerk. Ten tweede, jongeren kennis laten maken met welke hulpvragen er leven binnen hun eigen (burgerlijke) gemeente. Deze twee doelen werkte we uit in een uitdagend project:

Fix you 2018

Fix You 2018 is een wedstrijd om een hulpproject te bedenken voor hulpbehoevende in je eigen omgeving, uitgeschreven door de diakonie (PKN) en de Parochiële Caritas instelling (Katholieke kerk) van Monnickendam (zie flyers). Er schreven zich 4 teams in van in totaal 11 jongeren.

De jury en aanwezige gasten waren diep onder de indruk van de kwaliteit van de plannen en de kennis die was opgebouwd. Waarom was Fix You 2018 een groot succes? Omdat het een uitdagend plan was, waarbij samenwerking niet werd geschuwd en de communicatie en PR anders werden aangepakt dan gebruikelijk.

Uitdagend

Fix You was uitdagend voor jonge mensen omdat het niet te makkelijk was om te doen en ook niet te moeilijk. Hierbij was het raadplegen van twee jeugd in de voorbereidende fase heel belangrijk, aan hen kun je merken hoe interessant en uitdagend een opdracht of idee is.

Het was ook uitdagend voor jonge mensen omdat de kaders voor de wedstrijd hen vrijheid gaven en uitgingen van de eigen krachten en mogelijkheden van de jeugd, met andere woorden: ze mochten zichzelf zijn. Jonge mensen denken vaak in andere wegen dan oudere generaties, dat is niet beter of slechter maar anders en kan heel verfrissend zijn. De begeleiding was coachend opgesteld en altijd bereikbaar indien nodig. Er was dus ook wat te halen voor de deelnemers: een nieuwe leer-ervaring. Een prijs voor de winnende groep kietelde hun intrinsieke motivatie nog meer, maar nog belangrijker was de prijs en ondersteuning die ze konden winnen om hun plan uit te voeren: nl. anderen helpen. Deze was substantieel en zou een verschil kunnen maken, wat hun opdracht een serieus en verantwoordelijk aanzien gaf.

Samenwerken met anderen

De diaconie van Monnickendam zocht meteen contact met de Parochiële Caritas van Monnickendam, zij streven immers hetzelfde doel na en ook zij willen graag jongeren interesseren voor hun werk. Hiermee vergroot je het speelveld en dus ook je bekendheid. Vrijwilligers werden betrokken op grond van hun kennis en/of ervaring voor onderdelen van de wedstrijd. Er werden hiervoor ook contacten gelegd buiten de kerk, zoals bijvoorbeeld een wethouder, de jeugdwerker van de burgerlijke gemeente en de burgemeester. Zij werden oa. geraadpleegd over hun werk, genodigd om te jureren en de prijs uit te reiken. De brede betrokkenheid, bijvoorbeeld de burgemeester die jureert en de prijs uitreikt, geeft een air van relevantie aan je project voor hen die de diaconie (caritas) niet kennen en die de kerk niet kennen.

Meer en andere communicatie dan gebruikelijk

De wedstrijd was veel in zicht. Het had een herkenbaar logo en tune, een bekend nummer van de band Coldplay. Dit materiaal kon worden afgespeeld op een beamer en afgedrukt als kleurrijke folders. Door voortgang zichtbaar en hoorbaar te delen met de kerkelijke gemeente door middel van beamerpresentaties (met geluid), uitgedeelde nieuwsbrieven en resultaten op te hangen in de kerkzaal, werd de kerkelijke gemeente kansen geboden om zich betrokken te gaan voelen met dit project. Iedere keer wanneer men het lied Fix You hoort, wat vooral buiten de kerk wordt afgespeeld, denkt men ook aan Fix You Monnickendam. Bovendien werd de jeugd steeds visueel in beeld gebracht tijdens vieringen door hun voortgang bekend te maken met foto’s en resultaten. De gemeente werd uitgenodigd betrokken de zijn door te komen stemmen op de projecten in de eindfase. Deze mogelijkheid tot interactie vergroot de motivatie om betrokken te raken.

De communicatiemiddelen naar buiten toe werden uitvoerig benut. Het logo verscheen meerdere malen in de plaatselijke krant met aankondiging, voortgang en resultaat van de wedstrijd. Dat werd ook weer op facebook gedeeld.

Doordat de diakonie en parochiële caritas open stonden voor een andere benadering dan ze tot u toe gewend waren en de hulp inriepen van een jeugdwerkadviseur werd Fix You Monnickendam een succes. En ja, meer bekend maakt meer bemind over het algemeen.

Benieuwd welk hulpproject gewonnen heeft in Monnickendam?

Wilt u ook een Fix You wedstrijd organiseren in uw gemeente? Vraag vrijblijvend naar de mogelijkheden.

Begin maart verscheen een nieuw boek van Kara Powell en Steven Argue, beiden betrokken bij het Fuller Youth Institute in de Verenigde Staten. Dit instituut houdt zich bezig met jongeren en de kerk, vanuit de visie: “We geloven in jonge mensen. We geloven in de kerk.” Powell en Argue doen de uitspraak dat de grootste belemmering voor het geloof van onze kinderen geen twijfels zijn, maar de stilte.

Aanleren van geloofstaal

Uit onderzoek is gebleken dat veel jonge mensen hun twijfels en geloofsvragen niet delen met vrienden of volwassenen. Hoewel dit een Amerikaans onderzoek is geweest, herken ik dit in de praktijk van het Nederlandse jeugdwerk. Volgens Powell en Argue ontstaat hiermee het probleem dat jongeren niet leren om te spreken over hun geloof. Het ontbreekt hen aan taal om hun geloofsovertuigingen expliciet te maken en dat is een zorgwekkende ontwikkeling. Om geloof te kunnen verinnerlijken móet er over gesproken worden. Net als het blijvend kunnen spreken van een andere taal, is het niet genoeg om zo’n taal alleen maar aan te leren. Er is blijvende oefening nodig in het spreken van die taal. Het zijn de ouders, jeugdleiders en andere gelovige volwassenen die om de jongeren heen staan die hen daarin voor kunnen gaan en kunnen aanmoedigen om zich te uiten in deze geloofstaal.

Ruimte voor een gesprek over twijfels

Het gesprek hierover gaat vaak niet vanzelf en kan zelfs ongemakkelijk aanvoelen. Maar als we willen dat onze jongeren deze taal leren spreken, moeten we als volwassenen dat risico maar nemen. Powell en Argue noemen een paar open voorbeeldvragen die je kunt stellen: “Noem eens iets wat jij niet gelooft, waarvan je denkt dat ik het wel geloof. Of andersom: Noem eens iets wat jij gelooft, waarvan je niet denkt dat ik het geloof. Of: Wanneer voel jij jezelf het dichtst bij God?”

Op die manier kunnen we hen ook aanmoedigen om hun twijfels uit te spreken en hier waarderend op te reageren. Het is moedig om vragen te stellen, om aan te wijzen waar het wringt.

Andersom kunnen wij ook helpen om te kijken wat er vanuit geloof te zeggen is op vragen in bijv. economie, politiek en wetenschap. Niet met een simpel antwoord (‘zo zit het’) of als kritiekloze acceptatie (‘je zult wel gelijk hebben’), maar als serieuze gesprekspartner. Daarbij mogen jongeren best wat tegengas krijgen en uitgedaagd worden ook te benoemen wat ze wel waarderen.

Eigen geloofsverhaal vertellen

Daarbij kunnen we onze eigen geloofsverhalen niet vaak genoeg vertellen. Dat hoeft niet perfect. En liever niet eenmalig. Jongeren hebben een startpunt nodig voor hun eigen geloofsreis en het helpt daarbij als wij onze eigen ervaringen vertellen. Over hoe we God hebben ervaren in ons dagelijks leven, over hoe Gods genade ons droeg. Het liefst heel concreet, zoals ik een jeugdleider pas geleden hoorde doen: dat hij soms bang is, niet weet welke keuzes hij moest maken bijvoorbeeld toen hij op zichzelf ging wonen en hoe de Heilige Geest daar toch bij was.

Het is een feit dat het bij de geloofsopvoeding niet altijd goed zal gaan. We worden ook niet gevraagd om perfecte gelovigen te zijn. Maar laten we wel de eerste stap zetten om de stilte van de geloofstaal te doorbreken. Daarbij mogen we erop vertrouwen dat als wij graag willen dat onze jongeren in God geloven, God in elk geval altijd in hen zal geloven. En in ons.

Dit artikel is gebaseerd op ‘The Biggest Hindrance to Your Kids’ Faith Isn’t Doubt. It’s Silence’ (K. Powell en S. Argue), naar aanleiding van hun boek ‘Growing With: Every Parent’s Guide to Helping Teenagers and Young Adults Thrive in Their Faith, Family, and Future’. Dit boek verscheen in maart 2019 bij Baker Books.

Al meer dan 15 jaar ben ik jeugdwerker en heb ik gewerkt met verschillende groepen, van baby’s tot studenten. Hierbij was ik actief in buurthuizen, op straat en in verschillende kerken en gemeenten met diverse achtergronden. Ik vind het ontzettend leuk om voor tieners en met tieners te werken. Om tieners te zien groeien in hun leven en geloof. Mijn drive is om echt verschil te kunnen maken in hun leven en hen te laten zien wat het betekend om christen te zijn in het dagelijks leven. Met alle hobbels en bobbels die daarbij komen kijken. De laatste jaren ben ik vooral betrokken bij kerken die behoefte hebben aan advies, training en aanmoediging. Maar vooral merk ik behoefte aan procesbegeleiding en ondersteuning van het team dat het jeugdwerk draaiende houd. Ik omschrijf dit meestal in het beeld van een ‘trein’.

In de jaren dat ik werk als jeugdwerker merk ik dat je elke keer in een soort ‘trein’ stapt die gemeente heet. Het is een tijdelijke reis waarbij je een korte periode aanhaakt bij een gemeente en het jeugdwerk die zelf al een langere tijd onderweg is.

En zo stap ik in de trein en kom in verschillende coupés te zitten. De coupés kun je vergelijken met de verschillende ‘lagen’ van het jeugdwerk. Soms is het de coupé van het beleid met jeugdraad en oudsten of ambtsdragers. Soms is het de coupé van kinderen, tieners of jongeren waar activiteiten worden georganiseerd of waar deze doelgroepen zich thuis voelen. En als ik dan ga zitten in zo’n coupé ben ik even medereiziger. Ik kijk, luister en meng me soms in het gesprek. Ik geef suggesties over de inrichting, help soms met wat schoonmaken of breng wat extra versiering aan. Ik denk mee met de mensen die verantwoordelijk zijn voor de coupé en bemoedig waar ik kan. Allemaal met het doel om de passagiers, de tieners of de opvoeders, een plezierige en leerzame reis te geven. En na een tijdje zit mijn reis er weer op en stap ik uit bij het volgende station. Dan hoop ik dat de trein er weer een beetje mooier uitziet, dat de trein wat soepeler rijdt zodat de reizigers ook in de toekomst blijven reizen en op nieuwe bestemmingen aankomen.

Uiteindelijk gaat het niet om de trein, dit is een middel die het ‘samen reizen’ mogelijk maakt. Zo zijn we als gemeente van Christus onderweg naar Zijn grote toekomst en bij deze reis willen we als jeugdwerk.info graag ondersteunen. We zijn maar tijdelijke passagiers en stappen voor een korte periode in omdat we geloven dat de reizigers onderling relaties aan moeten gaan. Maar juist om dat te faciliteren willen wij het team van mensen die hart en enthou-siasme hebben voor jongeren graag helpen en bemoedigen. En daarom wil ik als professional, als jeugdwerker, net als mijn collega’s even opstappen en meereizen.

Met deze vraag werden we aan het denken gezet door Chris Curtis, de directeur van Youthscape, tijdens de European Youth Ministry Network. Een terechte vraag aan de aanwezige jeugdwerkers uit diverse Europese landen. Hoe zit dat eigenlijk in Nederland? Gelukkig wordt er best wat onderzoek gedaan in Nederland, vaak door studenten. Het OJKC komt regelmatig met boeiende onderzoeken. Er is zelfs een Research & React dag waarin je wordt bijgepraat over de actuele onderzoeken. Toch werd ik opnieuw getriggerd door deze vraag. Want de aanleiding voor de meeste onderzoeken is het afronden van een studie of promotie en gebaseerd op eigen affiniteit. En zover ik weet zijn er niet echt longitudinale onderzoeken. Er is geen onderzoekscentrum die denominatie overstijgend iets kan zeggen over christelijk jeugdwerk. Daarnaast missen we ook vaak de vertaalslag van wetenschappelijk onderzoek naar de concrete praktijk in gemeenten. Om een idee te geven deel ik graag wat onderzoeken die gepresenteerd werden tijdens de conferentie van EYMN:

GenZ: Rethinking Culture

Dit onderzoek naar Generatie Z is uitgevoerd in november en december van 2016 onder 11 -18 jarige jongeren uit Engeland. Laura Hancock, research director, van YFC Engeland presenteerde dit onderzoek waarbij ze opmerkte dat de jongeren niet wisten dat het een onderzoek van YFC was. Omdat het zo veel interessante cijfers bevat beperk ik me hier tot een aantal aspecten uit de samenvatting.

Bestaat God? Bijna de helft van de jongeren gelooft niet in het bestaan van God. En het is gebruikelijker om niet over God en spiritualiteit na te denken.

Geloof delen? Ook al kennen de meeste jongeren wel vrienden die christen zijn en ervaren ze deze christenen als positief toch betekent dat niet dat ze meer willen weten over God.

Familie waardevol? De familie wordt door de jongeren als waardevol ervaren die bijdragen aan een goed zelfbeeld. De sterkste motivatie is dat de jongeren graag willen dat hun familie trots op hen is.

Welke zorgen? De jongeren maken zich het meeste zorgen over hun school (resultaten) naast de manier hoe ze eruit zien. Wereldwijde issues bij jongeren zijn oorlog, terrorisme en armoede.

No Questions Asked

Het onderzoek gepresenteerd door Chris Curtis van Youthscape richt zich op jongeren van 16 – 19 jaar in Luton, dus kan niet zondermeer gebruikt worden voor andere jongeren. Tegelijkertijd herkenden de aanwezige Europese jeugdwerkers wel een aantal uitkomsten. De aanleiding van het onderzoek was of geloofsvragen veranderd waren bij jongeren. Maar de grote verrassing was dat er helemaal geen vragen zijn over God en geloof, pas aan het eind van de interviews kwamen er heel voorzichtig wat vragen naar boven. Het leek of de vragen begraven lagen onder een dikke laag stof van de geschiedenis. Hoe komt het eigenlijk dat jongeren deze vragen over geloof niet meer stellen? Uit de interviews kwamen de volgende punten naar boven:

Disrespectful: Als tolerantie een belangrijke waarde is en discussiëren, vragen stellen over iemands geloof ervaren wordt als ‘kritiek’ of ‘aanval’ dan stel je geen vragen. Vragen stellen over geloof wordt door jongeren gezien als niet respectvol; ‘I didn’t wanna upset you’.

We’re all the same: Waarom moeten we vragen stellen over elkaars geloof als het toch allemaal hetzelfde is. Veel jongeren zien geen verschillen, door onbekendheid met religies of een pluralistische opvatting van geloof en soms doordat tolerantie en acceptatie belangrijker is.

Beliefs are personal: Geloof is privé en persoonlijk en daarom niet iets om over te discussiëren of vragen over te stellen. Daarom zijn jongeren niet echt gewend om te praten over God of geloof. Zelfs in families tussen ouders en kinderen wordt er nauwelijks gepraat over religie.

Religion is practical, not abstract: Jongeren hebben geen vast omlijnd dogmatisch kader over geloof, ze ervaren geloof als iets praktisch, iets van elke dag. Geloofsvragen zijn daarom ook minder relevant, het gaat om wat je ziet van geloof. Daarbij valt op dat het christendom weinig concrete uitingen kent in vergelijking met de Islam, zoals vasten, kleding, gebedstijden etc.

Religion is not a big concern: Ook al vinden denken jongeren vaak na over hun hoop en hun dromen voor de toekomst, religie is niet echt een issue. Geloof en God is gewoon niet iets waar je enorm gepassioneerd over bent of waar jongeren zich druk over maken.

 

Naast alle informatie en kennisuitwisseling, hierover zal ik later wat schrijven, was het heel bijzonder om elkaar als broeders en zusters te ontmoeten. Compleet verschillende culturen, talen, achtergronden en tradities maar met hetzelfde verlangen; ‘God en jongeren’. En opnieuw was ik onder de indruk van de ‘dienstbaarheid in samenwerken’, de manier hoe collega jeugdwerkers elkaar opzoeken en dienstbaar zijn aan de ministry van de ander.

Net- of samen-werken

Tijdens zo’n internationale conferentie neem je wat afstand van je eigen situatie, je eigen land en cultuur. Dat geeft soms hele heldere inzichten in ‘the way we do things around here’, als mooie omschrijving van je eigen cultuur. Zeker als je dat kunt vergelijken met andere culturen en wanneer andere culturen reflecteren op typisch Nederlands gedrag. Een bekend fenomeen is de ‘directheid’ van Nederlanders die in andere culturen nogal eens als lomp of ongepast wordt ervaren Maar de afgelopen dagen hoorde ik drie keer een ervaring van afzonderlijke personen over ‘samenwerken’ met Nederlanders. En de conclusie was dat dit niet eenvoudig mooi moeizaam was. Nou zijn we als Nederlanders meestal goed in netwerken dus het verbaasde mij nogal. Maar toen ik de ervaringen hoorde begreep ik het beter. Want in verschillende situaties bleek dat de belangen, de meerwaarde voor de Nederlanders bepalend waren voor de samenwerking. Meestal gericht op het realiseren van meerwaarde voor de eigen agenda’s of plannen of het ‘verkopen’ van de eigen methode, visie. Het doel was bekend en het netwerken werd bepaald door het realiseren van dat doel. Maar samenwerken is ten diepste geloven dat je aan elkaar bent gegeven om een gemeenschappelijk doel te bereiken. En deze signalen riepen bij mij de vraag op of wij onszelf niet de kans ontnemen om te zien wat God wil doen door de ander? Calculeren we niet teveel in ons netwerken en vergeten we daardoor soms om echt samen te werken?

Letland en Noord-Ierland

Daarom een aantal voorbeelden die ik deze dagen heb gehoord of beleefd. En het begint met de vraag ‘wat Letland en Noord-Ierland met elkaar gemeen hebben?’ Zover ik weet niet zo heel veel en toch is daar een bijzondere samenwerking tot stand gekomen op een onbegrijpelijke manier. Een jeugdwerker in Letland die niet wist hoe hij van betekenis kon zijn voor de jeugd in zijn land vond een boek in een kantoor waar hij toevallig was, getriggerd door de titel. Op onverklaarbare wijze opent hij het boek op pagina 3, leest hier de naam van de leider van een jeugdorganisatie in Noord-Ierland waarvan hij de contactgegevens heeft opgezocht. En zo kwam er een mailtje in Noord-Ierland terecht waarbij de vraag uit Letland een bevestiging was voor deze organisatie. En zo ontstond er een mooie samenwerking die nu van grote betekenis is voor jongeren in Letland. Voor mij een bijzondere les dat God een plan kan hebben die niet strookt met onze berekeningen of logische samenwerkingen.

Daniël

Tijdens één van de Bijbelstudie hebben we stilgestaan bij Daniël en de manier hoe hij leefde aan het Baylonische hof. Daniël was bereid om relaties aan te gaan met zijn vijanden, de mensen die hem weggevoerd hadden uit zijn eigen land. En hij gaat in gesprek over de regels voor het eten en drinken en zoekt samen met de verantwoordelijken naar een oplossing. En toen Daniël naar de koning zou gaan om de droom en de betekenis ervan uit te leggen ging hij eerst naar zijn vrienden. Want Daniël wist dat hij anderen nodig had, dat zijn vrienden voor hem moesten bidden. Dat roept bij mij de vraag op of wij afhankelijk durven te zijn van anderen en aan onze vrienden te vragen om voor ons te bidden en te accepteren dat zij ook vragen stellen of feedback geven.

Hongaarse Roemeen

Bij de afsluiting van de conferentie hebben we samen avondmaal gevierd, Holy Communion als het vieren van de gemeenschap van heiligen. Dit werd geleid door een predikant uit Roemenië die gestudeerd heeft in Kampen en een Gereformeerd Hongaarse kerk mag dienen. Dit deed hij samen met een baptisten voorganger uit Roemenië. Een betekenisvolle ervaring omdat in dit moment zoveel kloven werden overbrugd. Wie de geschiedenis een beetje kent weet hoe ingewikkeld de relatie is tussen Roemenië en Hongarije. En de traditionele Hongaarse kerk kent een hele andere traditie dan de baptisten. En daarbij was ik zeer onder de indruk hoe deze vriend, we hebben elkaar al eerder ontmoet in Nederland, met respect voor zijn eigen traditie nieuwe vormen gebruikte die betekenis hadden. Hiermee was het ook een voorbeeld hoe de kloof tussen generaties of tradities overbrugd kan worden. Na het avondmaal kregen we als afsluiting allemaal een steen met onze naam hierop. Gezocht samen met zijn vrouw aan het strand in Spanje. Deze steen met onze naam was een teken dat wij een onderdeel zijn van Gods tempel. Klein en onbeduidend op zichzelf maa

Voordat deze week begon werd ik verschillende keren bevraagd over wat het European Youth Ministry Network is, wie daar zijn en wat ze doen. Dat zijn prima vragen om snel en eenvoudig te beantwoorden. Toch neem ik iets meer tijd voor een antwoord om tegelijk te reflecteren op de Nederlandse situatie.

EYMN

Het Europese Netwerk van Jeugdwerkers heeft deze 3e conferentie georganiseerd om elkaar te ontmoeten, te bemoedigen, ervaringen te delen en samen te ontdekken wat er gebeurt in Europa. Nou waren er eerder ook wel Europese ontmoetingen en is het EYMN niet het enige netwerk, zo gaat dat in een complexe wereld. Toch is het bijzonder om te zien hoe jeugdwerkers uit Europa elkaar weten te vinden en door de jaren heen effectief hebben samengewerkt. In deze conferentie zijn er zo’n 45 ‘leaders in Youth ministry’ uit 16 verschillende Europese landen. Bijzonder is dat sinds 5 – 10 jaar Europa beter vertegenwoordigd is en het niet alleen een West-Europese ontmoeting is gebleven.

Ervaring

Het gezelschap is zeer divers gelet op de functies in Youth Ministry. Er zijn lokale jeugdwerkers, ontwikkelaars van materiaal, directeuren van organisaties, regionale netwerkers en van alles daar tussenin. En ook de ‘dienstjaren’ zijn zeer divers maar de grootste groep zit tussen 10 en 20 jaar ervaring met een aantal uitschieters naar meer dan 30 jaar jeugdwerk. Gelukkig is er geen ‘houdbaarheidsdatum’ bij jeugdwerkers waardoor ervaring en kennis behouden blijft en overgedragen kan worden. Dit is niet vanzelfsprekend want juist in Nederland ervaar ik wel eens een tekort aan ervaren jeugdwerkers. Mogelijk dat we in Nederland te weinig waardering hebben voor mensen die al wat jaren meelopen en dat we vergeten om dankbaar te zijn voor al hun inzet voor nieuwe generaties. Temeer omdat we daarmee een duidelijk signaal geven aan onze jongeren; we vinden jullie belangrijk en waarderen daarom ook de mensen die in jullie investeren. Dit is ook essentieel voor het werven en begeleiden van een nieuwe generatie leiders. Opvallend is dat de aanwezigen al op jonge leeftijd leider zijn geworden.

Professie

Wat mij verder opviel uit de survey voorafgaand aan deze conferentie is dat zo’n 35% een ‘volunteer ministry’ (unpaid) heeft. Met mijn Nederlandse bril is dat een teken dat het domein van jeugdwerk nog onvolwassen is. Vanuit het idee dat ‘money follows vision’ maak ik me zorgen als er blijkbaar zo weinig budget is om te investeren in goed jeugdwerk. Tegelijk besef ik dat de context in bijv. Oost-Europa heel anders is dan in Nederland. Toch was ik verrast door een collega uit Bulgarije die vertelde dat ‘paid ministry’ een beetje verdacht is want het idee is dat jongeren geen relatie aangaan met mensen die betaald worden om met deze jongeren op te trekken. Dit roept natuurlijk allerlei vragen op over wat een jeugdwerker is. Steeds meer geloof ik in 2e lijns jeugdwerkers en 1e lijns jeugdleiders. Het directe contact met jongeren, het leven delen vraagt om een relatie en continuïteit. Naar mijn idee is dat per definitie een jeugdleider, een vrijwilliger uit de kerk of community. Tegelijk vraagt jeugdwerk om professionals die jeugdleiders trainen, die goed materiaal ontwikkelen, die beleid maken en dat is toch echt een professie. Hiervoor heb je een passende opleiding en vlieguren nodig.

Mentoring

Eén van de oudste deelnemers noemt zichzelf een ‘alongsider’, een geweldige term voor iemand die in bepaalde levensfasen nabij is, meeloopt en betrokken is. Het principe van mentoring, coach wordt door de meeste aanwezigen ook benut. Zowel mentor zijn voor anderen als een mentor hebben geldt voor de meeste aanwezigen. En dat geldt voor alle leeftijden en opvallend genoeg vooral bij de 40+’ers. Blijkbaar heb je, ondanks of misschien juist wel door heel wat jaren ervaring, behoefte aan een ‘alongsider’. Volgens mij kunnen we hier als Nederlandse ‘doe-het-zelvers’ veel van leren. Durf jezelf kwetsbaar te maken en te blijven groeien als jeugdwerker. Hopelijk wordt dit ook gestimuleerd en gefaciliteerd door werkgevers zoals kerken en organisaties.

Vandaag begon de 3e European Youth Ministry Gathering, een netwerk van Europese jeugdwerkers. Goed om collega’s en vrienden weer te ontmoeten, elkaar te bemoedigen en door te praten over trends en ontwikkelingen in het Europees jeugdwerk.

Tijdens één van de programma’s stonden we stil bij het moreel kompas van de huidige generatie. Nou is het ‘ach en wee’ van alle tijden als het gaat over jongeren. Toch is het nu anders, aldus Josh Patty, regionaal directeur van Josiah Venture. De huidige jongeren, die we de iGen noemen gaan heel anders om met vragen over ‘goed en fout’, ze hebben een andere manier van omgaan met moraliteit. Josh baseerde zich op oa een studie van de Barna Group en hij maakte onderscheid in een aantal generaties:

  • Modern Generation: ze hebben een absoluut beeld van goed en kwaad
  • Postmodern Generation X: moraliteit hangt af van de situatie
  • Millenial Generation Y: moraliteit hangt af van de persoon
  • iGen Generation Z: kunnen omgaan met verschillende conflicterende moraliteiten

Het perspectief van GenZ werd toegelicht vanuit een blog van een teenager die moeite had met een aantal morele standpunten omdat ze nooit een eerlijk antwoord had gekregen op het ‘waarom’. Vaak werden vragen over ethiek zoals seksualiteit en abortus beantwoord met ‘dat geloven wij’ waardoor zij voor zichzelf de conclusie trok: ik ben echt voor geloof maar niet voor religieuze groepen. Opvallend is dat dit voor de collega’s aan mijn tafel direct werd herkend, zowel in geseculariseerd Nederland als in Roemenië, Duitsland en Letland. Daar waar de kerk eeuwenlang de autoriteit was op het gebied van ethiek en moraal is de kerk nu verdacht en hypocriet in de ogen van GenZ. Jongeren gaan zeker niet meer te rade bij de kerk maar hanteren hun eigen morele code;

  • Do not harm
  • Do not offend
  • Do not judge

En gelet op deze morele code ontstaat er dan ook vaak een communicatiekloof met andere generaties die denken vanuit een duidelijk verschil tussen goed en kwaad. Naast de culturele verschuiving in ethisch denken vermoed ik dat we ook zelf als ‘opvoeders’ hebben bijgedragen aan een wat beperkte ethiek. Al te vaak hebben we als jeugdwerkers de nadruk gelegd op de liefde van God, en terecht. Maar vanuit onze eigen biografie, frustraties over onze opvoeding, hebben we te vaak gezwegen over regels. Of we hebben onterecht het beeld gecreerd dat het een transactie is, als je dit doet dan gaat het goed en anders niet. De vraag is hoe in de Bijbel gesproken wordt over ethiek en levensstijl. Vanuit Deuteronomium 30:11-20 liet Josh ons zien wat Gods lessen zijn over ethiek.

  1. De lessen van God zijn realistisch, de principes zijn haalbaar voor ons als mensen (vs11)
  2. We starten niet bij 0 in het leren van deze regels, ze zitten al in ons hart (vs14)
  3. Je krijgt een eigen keus maar die heeft wel consequenties, denk dus goed na (vs15)
  4. Het is een zegen (of vloek) voor jezelf maar ook voor komende generaties (19b)
  5. Het is uiteindelijk een relationele keus, relatie met God (vs20)

En als je dit gedeelte wat verder bekijkt zie je dat er drie aspecten in zitten:

  • Rule in Law: Regels vanuit de wet van God
  • Relationship in Love: relatie gebaseerd op liefde
  • Reward in Life: De belofte van God dat je zult leven

Als opvoeders en jeugdwerkers zullen we ons bewust moeten zijn van de verschillende perspectieven als het gaat over ethiek en levensstijl. En vanuit deze verschillen Bijbelse woorden en principes delen met een nieuwe generatie waarbij we de balans houden tussen Rule, Relation en Reward.

 

Met het hele gezin genieten we van ons jongste mannetje die vijf jaar na onze tweede geboren werd en nu bijna twee-en-een-half jaar is. We vinden hem allemaal schattig en z’n broers lachen om alle grappige dingen die hij doet en zegt. Hij heeft een stralend koppie, mooie bruine ogen en een heerlijke lach. Verder ben ik helemaal niet bevooroordeeld als moeder. 😉

En al die schattige, lieve en ondeugende dingen leg ik vast met mijn telefoon: peuter die een liedje zingt, peuter die lief ligt te slapen, peuter die gekke bekken trekt, peuter die op schoot zit bij z’n broer. Heel regelmatig denk ik: dit zou best een mooie foto voor Instagram zijn. Of: deze grappige uitspraak zou ik op Facebook moeten delen. Gewoon omdat ik me trots voel en graag aan de hele wereld zou willen laten zien wat een lieve, mooie, fantastische kinderen ik heb. Ook zakelijk gezien zou het best interessant zijn om meer persoonlijke foto’s en filmpjes van ons gezinsleven te delen. M’n werk heeft nou eenmaal alles met gezinnen en opvoeden te maken.

Zelf beslissen

Toch doe ik het vrijwel niet (meer). M’n grootste bezwaar is dat mijn kinderen nu zelf nog geen invloed kunnen hebben op welke beelden van hen online gezet worden. Over een paar jaar is de oudste waarschijnlijk zelf actief op social media en bepaalt hij zelf welke foto’s hij deelt. Het voelt niet goed om dat nu voor hem en zijn broertjes te bepalen. Het heeft voor mij alles te maken met privacy. Iets wat van jezelf is, wordt door een ander gedeeld en je hebt geen invloed op hoe dat gebeurt.

Invloed op lange termijn

Daarnaast vind ik het lastig in te schatten wat de invloed van al die beelden online op lange termijn is. Hoe is het voor mijn kinderen als ze op hun 30e een soort fotoalbum van hun leven online kunnen terugvinden? Of als hun werkgever dat kan vinden? Om nog maar niet te spreken van mensen die slechte bedoelingen hebben. De kans is niet groot, maar wat als het lieve hoofd van jouw kind wordt gebruikt in kinderporno? De politie komt dat knip-en plakwerk helaas regelmatig tegen.

En de blogs die ik schrijf dan? Ook dat doe ik met enige aarzeling. De situatie uit mijn vorige blog over condooms en vlogs kijken heb ik wel eerst voorgelegd aan de oudste twee. Ze kunnen natuurlijk niet overzien hoeveel mensen dat lezen, maar ik wil ze graag betrekken in mijn overwegingen. Ze laten zien dat ik erover nadenk, omdat ze op een dag ook zelf die keuzes moeten maken. En ik kies ervoor niet hun namen te gebruiken of eigen foto’s erbij te plaatsen.

Ik ken ook veel moeders die wel foto’s en verhalen van hun kinderen delen, via blogs, Instagram-accounts of een persoonlijke Facebook-pagina. Een aantal van die moeders verdient ook geld daarmee, bijv. door het boegbeeld van een kledingmerk te zijn (een brandrep) omdat ze zoveel volgers hebben. En het gekke is dat ik het in sommige gevallen ook nog heel leuk vind om die verhalen te lezen of die leuke foto’s te zien.

Ik weet het niet

Maar heel vaak denk ik: hoe is het voor die kinderen, die nog klein zijn en geen idee hebben dat er per dag 1000 keer een foto wordt geliked waar zij opstaan. Wat als die kinderen ouder worden en dat niet meer willen… Stort het leven van die moeder dan ook in? Of is dit gewoon het nieuwe opgroeien en gaat er niet zoveel ergs gebeuren met die kinderen die nu al een beroemdheid op social media zijn? Dat zou ook zomaar kunnen. Ik weet het niet. En omdat ik het niet weet, kies ik nu voor de manier die voor het mij het meest veilig voelt.

Al mist de wereld natuurlijk wel wat zonder foto’s van mijn kinderen online 😉

Hanna van Ommen

Deze blog is eerder verschenen bij Power to the Mama’s, een online platform voor christelijke moeders –www.powertothemamas.nl  

Het is etenstijd. De oudste (9 jaar) kruipt achter de laptop vandaan en vraagt: ‘Mam, hebben wij nog condooms?’ Ik kijk verbaasd en zeg: ‘Condooms? Waar heb je die voor nodig?’ Zoon nummer 2 (7 jaar) schuift ook aan tafel: ‘Condooms, wat zijn dat nou weer?’ De oudste legt uit: ‘Ehm, dat is een soort ballon, als papa en mama geen kinderen meer willen dan kan papa die om z’n plasser doen als hij met mama gaat vrijen. Maar meer zeg ik er niet over, want dat is een beetje raar.’

Z’n broer knikt begrijpend (het verhaal van de zaadjes en de eitjes kent hij…) en vraagt niet verder. De condooms blijken nodig voor de condoom-challenge. Vlogs kijken is de favoriete bezigheid van mijn oudste zoon en daarin zijn allerlei challenges te zien. Bij de condoomchallenge wordt een condoom gevuld met water en daarna losgelaten boven iemands hoofd. Het gevulde condoom blijft dan op en om het hoofd van die persoon hangen zonder dat het knapt, dat levert hilarische beelden op.*

Stoer

We hebben aan tafel nog even doorgekletst over hoe grappig die condoomchallenge is. Ik denk niet dat hij echt zelf die challenge wilde doen. Hij moest er gewoon even over vertellen en vond het wel stoer om te doen alsof hij het zelf ook van plan was. Er even aandacht aan besteden was genoeg.

Open praten over alles

Toen ik een tijdje later deze situatie besprak met een vriendin, besefte ik me dat ik blij ben dat mijn zoon zonder blikken of blozen zo’n vraag durft te stellen. En ook dat z’n broertje en ik daar in alle openheid op konden reageren. Ik heb, toen ik kinderen kreeg, best bewust nagedacht over de seksuele opvoeding en ik hoopte dat het me zou lukken om ‘seksualiteit’ een normaal gespreksthema te laten zijn.  Het is fijn om te merken dat de informatie die ik mijn zoon de afgelopen jaren herhaaldelijk heb verteld ook is blijven hangen. Het is fijn om te merken dat hij z’n broertje daar iets over wil uitleggen. Wel met enige schaamte, maar hé, hij is 9, dat hoort erbij op die leeftijd. Het is fijn om te zien dat zijn broertje de informatie opslaat (een paar weken later komt het nog eens ter sprake en hij reproduceert meteen waar een condoom voor is). En het is fijn dat we kunnen lachen om de condoom-challenge zonder dat het ongemakkelijk is. Het bevestigt mij dat het echt het beste is om van jongs af aan zo normaal mogelijk te praten over alles wat met seksualiteit te maken heeft.

Andere mediaboodschappen

Ik bedenk me ook dat het belangrijk is dat ik de komende tijd regelmatig praat met mijn oudste over wat hij allemaal tegenkomt in de vlogs die hij kijkt. Want ook via die kanalen krijgt hij ‘informatie’ over ‘seks’ en dat is niet persé de informatie die ik hem wil geven. Praten, luisteren, vragen stellen, praten, praten, dat is volgens mij de sleutel in de seksuele opvoeding. Want welke kansen had ik gemist als ik nooit had uitgelegd dat papa en mama vrijen? En als ik nooit had verteld wat een condoom is? Of als ik hem zou verbieden om vlogs te kijken? Dan had hij misschien bij een vriendje deze vlog gezien, de vraag of wij condooms hebben nooit gesteld en z’n broertje niet gehoord waar condooms voor zijn…

*Het is overigens een gevaarlijke challenge, zoals veel challenges die op YouTube in vlogs te zien zijn. Belangrijk om met je kinderen te bespreken: is alles wat kan, ook verstandig om te doen?

Deze blog is eerder verschenen bij  Power to the Mama’s, een online platform voor christelijke moeders – 

,
Geven of ontvangen?

De komende week is de European Youth Ministry Gathering waar leiders in jeugdwerk samen nadenken over de komende 10 jaar van het christelijk jeugdwerk in Europa. In onze gemeente werd hiervoor gebeden en na afloop van de dienst kreeg ik de vraag ‘ga je geven of ontvangen op die conferentie?’

Mijn reactie was dat we vooral samen gingen bezinnen, nadenken over het jeugdwerk. Toch liet deze vraag mij niet los omdat wij misschien wel te vaak op deze manier kijken naar onze activiteiten. Je vertelt of je luistert, je leidt een bijbelstudie of je neemt er aan deel, je stuurt of je volgt, je geeft of je ontvangt. Maar hoe zou ik ooit kunnen geven als ik niet eerst ontvang en juist in het spreken hoor ik zoveel van Gods stem.

Ik hoop dat ik veel mag ontvangen en daardoor kan geven.