Begin maart verscheen een nieuw boek van Kara Powell en Steven Argue, beiden betrokken bij het Fuller Youth Institute in de Verenigde Staten. Dit instituut houdt zich bezig met jongeren en de kerk, vanuit de visie: “We geloven in jonge mensen. We geloven in de kerk.” Powell en Argue doen de uitspraak dat de grootste belemmering voor het geloof van onze kinderen geen twijfels zijn, maar de stilte.

Aanleren van geloofstaal

Uit onderzoek is gebleken dat veel jonge mensen hun twijfels en geloofsvragen niet delen met vrienden of volwassenen. Hoewel dit een Amerikaans onderzoek is geweest, herken ik dit in de praktijk van het Nederlandse jeugdwerk. Volgens Powell en Argue ontstaat hiermee het probleem dat jongeren niet leren om te spreken over hun geloof. Het ontbreekt hen aan taal om hun geloofsovertuigingen expliciet te maken en dat is een zorgwekkende ontwikkeling. Om geloof te kunnen verinnerlijken móet er over gesproken worden. Net als het blijvend kunnen spreken van een andere taal, is het niet genoeg om zo’n taal alleen maar aan te leren. Er is blijvende oefening nodig in het spreken van die taal. Het zijn de ouders, jeugdleiders en andere gelovige volwassenen die om de jongeren heen staan die hen daarin voor kunnen gaan en kunnen aanmoedigen om zich te uiten in deze geloofstaal.

Ruimte voor een gesprek over twijfels

Het gesprek hierover gaat vaak niet vanzelf en kan zelfs ongemakkelijk aanvoelen. Maar als we willen dat onze jongeren deze taal leren spreken, moeten we als volwassenen dat risico maar nemen. Powell en Argue noemen een paar open voorbeeldvragen die je kunt stellen: “Noem eens iets wat jij niet gelooft, waarvan je denkt dat ik het wel geloof. Of andersom: Noem eens iets wat jij gelooft, waarvan je niet denkt dat ik het geloof. Of: Wanneer voel jij jezelf het dichtst bij God?”

Op die manier kunnen we hen ook aanmoedigen om hun twijfels uit te spreken en hier waarderend op te reageren. Het is moedig om vragen te stellen, om aan te wijzen waar het wringt.

Andersom kunnen wij ook helpen om te kijken wat er vanuit geloof te zeggen is op vragen in bijv. economie, politiek en wetenschap. Niet met een simpel antwoord (‘zo zit het’) of als kritiekloze acceptatie (‘je zult wel gelijk hebben’), maar als serieuze gesprekspartner. Daarbij mogen jongeren best wat tegengas krijgen en uitgedaagd worden ook te benoemen wat ze wel waarderen.

Eigen geloofsverhaal vertellen

Daarbij kunnen we onze eigen geloofsverhalen niet vaak genoeg vertellen. Dat hoeft niet perfect. En liever niet eenmalig. Jongeren hebben een startpunt nodig voor hun eigen geloofsreis en het helpt daarbij als wij onze eigen ervaringen vertellen. Over hoe we God hebben ervaren in ons dagelijks leven, over hoe Gods genade ons droeg. Het liefst heel concreet, zoals ik een jeugdleider pas geleden hoorde doen: dat hij soms bang is, niet weet welke keuzes hij moest maken bijvoorbeeld toen hij op zichzelf ging wonen en hoe de Heilige Geest daar toch bij was.

Het is een feit dat het bij de geloofsopvoeding niet altijd goed zal gaan. We worden ook niet gevraagd om perfecte gelovigen te zijn. Maar laten we wel de eerste stap zetten om de stilte van de geloofstaal te doorbreken. Daarbij mogen we erop vertrouwen dat als wij graag willen dat onze jongeren in God geloven, God in elk geval altijd in hen zal geloven. En in ons.

Dit artikel is gebaseerd op ‘The Biggest Hindrance to Your Kids’ Faith Isn’t Doubt. It’s Silence’ (K. Powell en S. Argue), naar aanleiding van hun boek ‘Growing With: Every Parent’s Guide to Helping Teenagers and Young Adults Thrive in Their Faith, Family, and Future’. Dit boek verscheen in maart 2019 bij Baker Books.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie